Uur van de Waardheid voor euro en EU

Voor EU is het nu pompen of verzuipen

Toen Herman Van Rompuy op 1 januari 2010 aantrad als vaste Voorzitter van de Europese Raad, werd hij al meteen geconfronteerd met de grootste financiële, monetaire en economische crisis uit de geschiedenis van de Europese Unie. Hij trof in het Justus Lipsius-gebouw een lege gereedschapskist aan. De wapens om de crisis te lijf te gaan, moesten ter plekke uitgevonden worden, of zoals een van de adviseurs van Van Rompuy, de Brit Richard Corbett het deze week uitdrukte: “we moesten de roeiboot in elkaar steken temidden van de storm, op volle zee”. Corbett sprak de jaarlijkse conferentie toe van de REGLEG – het netwerk van Europese regio’s met wetgevende bevoegdheden. Een jaarvergadering die in het teken stond van de vele onzekerheden die met name ook op regio’s als Vlaanderen afkomen, nu het hele Europese huishouden kraakt en steunt.

Economisch bestuur

Debatstof voor hun jaarvergadering vonden de zowat 40 “sterke” regio’s die in het Brusselse Egmontpaleis waren samen gekomen vervat in  een studie van het gerenommeerde, in Maastricht gevestigde Europees Instituut voor Overheidsadministratie (EIPA). Een studie over “EU Economic Governance and the Role of Regions with Legislative Competences”. De studie toont aan dat er als gevolg van de crisis binnen de EU in toenemende mate verschillen zullen optreden tussen de lidstaten, met verschillende niveaus van budgettaire beperkingen en van andere verplichtingen die de Unie hen oplegt. Regio’s als Vlaanderen doen er dan ook best aan om intensief de impact te bestuderen van de voortschrijdende vormen van “economisch bestuur” (economic governance) die binnen de Unie tot stand komen.

Er treedt hoe dan ook een sterke centralisatie op bevoegdheden op – via het nieuwe verdrag voor het ESM, het European Stability Mechanism, bijvoorbeeld, dat het noodfonds EFSF voor de euro moet opvolgen. De Unie geeft zich ook allerlei nieuwe regelgevende bevoegdheden, via de zogenaamde Six Pack-maatregelen onder andere. De “sterke regio’s” zullen ook moeten toekijken hoe hun lidstaten in de praktijk omspringen met vormen van beleidscoördinatie, zoals die in het kader van de Europa 2020-strategie. Vlaanderen lijkt op dit vlak zelf over voldoende institutioneel soortelijk gewicht, want eigen bevoegdheden, te beschikken om een “hernationalisatie” van dit beleid te vermijden. Maar de soms chaotische bewegingen op Europees niveau om de voortschrijdende crisis bij te benen, kunnen heel vervelende bijwerkingen hebben voor regio’s, en machten op lidstaatniveau die het minder voorhebben met regio’s, tot boosaardige daden inspireren.

Voor de Unie is het intussen inderdaad pompen of verzuipen. Van Rompuy zelf stelde op 30 november dat de problemen met overheidsschulden in Europa zich tot een regelrechte vertrouwenscrisis hebben ontwikkeld. Hij had het over een crisis van het totale systeem die een navenante aanpak vereist. Er moeten wezenlijke stappen gezet worden naar een werkelijke economische unie die past bij de al bestaande muntunie, zei Van Rompuy. De oproep weerspiegelde signalen uit Duitsland en uit Frankrijk om sneller en vastberadener tot een vollediger fiscale unie te komen van de 17 eurolanden, zodat er meer controle komt op de begrotingen. De nieuwe, strenge begrotingsregels staan ter discussie op de Europese Raad van volgende week, de 9de december.

Richard Corbett, de medewerker van Van Rompuy, gaf op 30 november een helder exposé over de toestand. De landen van de Europese Unie worden geconfronteerd met de grootste en meest omvattende crisis sinds die van de jaren dertig, gaf hij aan. De Unie heeft er alvast voor kunnen zorgen dat er twee grote valkuilen zijn vermeden. De lidstaten zijn niet teruggevallen in protectionisme of in een heilloze spiraal van devaluaties. Wat nog verre van opgelost is, evenwel, is het probleem van de buitensporige openbare schuld die een aantal van hen torsen. Een week tevoren had Van Rompuy, in een toespraak tot de federale posthoofden van de Belgische diplomatie in de Europese landen, overigens ook gewezen op de torenhoge schuldenlast van een aantal regio’s – met name in Duitsland, zei Van Rompuy, zijn er een aantal Laender die zich een schuld hebben verzameld “waar de Grieken jaloers op kunnen zijn”. Een van die Duitse deelstaten is overigens het hoofdstedelijk gewest Berlijn, maar dat zei Van Rompuy er maar niet bij.

Triptiek

De opdracht waar de Voorzitter van de Europese Raad zich bijgevolg voor geplaatst zag, bij zijn aantreden, was niet min: geheel nieuwe vormen van economisch bestuur vinden voor de Unie, en specifiek dan ook voor de landen van de eurozone, voor de middellange termijn. Corbett had het in dit verband over een “drieluik” van maatregelen die intussen tot stand zijn gekomen. Die kwamen er enerzijds onder “institutionele” druk, anderzijds onder druk van de collega’s-Buurlanden die allen behept zijn door de vrees voor een overslaande brand vanuit de meest getroffen lidstaten, en ten leste is er uiteraard de druk van de “markten”. Institutioneel is er al een heel kader aan maatregelen opgezet, recentelijk. Zo is er de legaal bindende procedure in geval van buitensporige tekorten; de mogelijkheid om harde  sancties uit te voeren in geval van macro-economische onevenwichten in een lidstaat. Dat kan niet alleen slaan op de schuldenlast of op oplopende begrotingstekorten, maar ook op andere “systemische risico’s”: onevenwichten in de betalingsbalans of de “huizenluchtbel” in Spanje of Ierland. Europa heeft het noodfonds EFSM in het leven geroepen, en binnenkort is er het permanente noodfonds voor de euro, de ESM.

De lidstaten houden elkaar ook veel sterker in de gaten dan in het verleden, vanuit het besef dat ook “brandgangen” het overslaan van de schuldencrisis van de zwakkere naar de beter functionerende lidstaten niet zeker kunnen stuiten. Er zijn de regelmatige vergaderingen van de Euroraad waartoe onlangs werd beslist, en er is een hele coördinatiestructuur tot stand gekomen, waarbij de regeringen hun begrotingen ter toetsing aan de Commissie moeten voorleggen, nog voor ze er mee naar hun eigen, nationale parlementen trekken. En er is de Europa 2020-Strategie, die de structurele problemen binnen de EU-lidstaten moet aanpakken, en die er voor zou moeten zorgen dat de groei opnieuw aantrekt, en dat die “duurzamer” wordt – duurzamer in de zin van “groener”, maar ook robuuster en minder vatbaar voor recessies en terugvallen. Op de derde plaats is volgens Corbett ook de functie van de financiële markten helemaal veranderd. In feite “sliepen” die financiële markten tien jaar lang. Ze rekenden alle landen van de eurozone grofweg dezelfde interesten aan, zonder rekening te houden met de grove onderlinge verschillen. Die état de grâce is voorgoed voorbij. De markten reageren momenteel wellicht wat al te nerveus – met rentevoeten voor Portugal en Italië die hoger liggen dan wat er Thailand en Kenia wordt aangerekend. Maar feit is dat ze voortaan ten aanzien van de Europese lidstaten waakzaam zullen blijven. Het is die interactie van institutionele veranderingen, peer control en de druk van de markten, die maken dat de Unie, en vooral dan de Eurozone, nooit meer wordt als weleer.

Wellicht komen er de komende weken nog nieuwe elementen om het Economisch Bestuur noodgedwongen te versterken, denken ze op het kabinet-Van Rompuy. De discussie over een vooral door Duitsland voorgestane verdragswijziging speelt in dit geval. Duitsland wil per se de artikels 126 en 136 V WEU aanpassen, om het voeren van een evenwichtige overheidsbegroting door de leden van de eurozone op kunnen opleggen. Wellicht zal in december blijken of die verandering er ook komt, als Van Rompuy, mede namens Commissievoorzitter Barroso en eurogroep-Voorzitter Juncker met suggesties komt om de convergentie binnen de eurozone verder te versterken.

Euro bonds

Het was een ongebruikelijk harde botsing tussen kanselier Angela Merkel en Barroso, op 23 november, die symbool kan staan voor de toenemende crisis rond de euro. Merkel verwees toen andermaal, en in heel krasse bewoordingen, in de Bondsdag, de door de Commissie en haar Voorzitter voorgestane euro-obligaties (euro bonds) naar de prullenbak. Het gaat hier om nieuw te scheppen leningen voor rekening van de eurozone in plaats van de afzonderlijke lidstaten. Op vrijwel datzelfde ogenblijk ging Barroso in Brussel op de barricades vóór de invoeren van die obligaties. Of die er nu komen, blijft een open vraag. De Commissie kreeg die 23e november wel brede bijval voor de gedachte om het toezicht op uitgaven en inkomsten van de eurolanden nog verder en verregaand te verscherpen. Landen die dan nog over de schreef gaan, krijgen te maken met ongekende sancties, zoals het dichtdraaien van de subsidiekranen.

In de vroege ochtend van 27 oktober had de Europese Raad al overeenstemming bereikt over drie problemen: het verder financieren van het virtuele bankroet van Griekenland, het bijspijkeren van wankelende banken, en het opdrijven van de capaciteit van het EFSF. Maar rond dat European Financial Stability Faciltiy – het tijdelijk noodfonds voor euro-landen, bleef het ook in de loop van november nog rommelen. Dat fonds heeft een omvang van 440 miljard euro. Ruwweg een derde daarvan is al uitgeleend aan Portugal, Ierland en Griekenland. Resteert nog zo’n 290 miljard. Dat is te weinig om de markten te overtuigen dat de eurozone de speculanten kan weerstaan. Volgens sommige experts is daarvoor eigenlijk het tienvoudige nodig – het astronomische bedrag van 2.500 miljard euro. Tegelijk is het politiek onhaalbaar bij de Bundestag of van de Nederlandse Tweede Kamer, toestemming te krijgen voor de opbouw van zo’n megakrediet.

Begin november leekt het er nog op dat de experts een handige manier hadden gevonden om het EFSF toch verder op te pompen, zonder dat er met de bednap langs de hoofdsteden moet worden gegaan. Investeerders zouden voortaan via het EFSF een verzekering kunnen sluiten op de gedeeltelijke terugbetaling (tot 20 procent) van nieuwe staatsobligaties van probleemlanden. Via die hefboom zou de “capacititeit” van het fonds verhogen tot 1.000 miljard. “Het enge van deze constructie is dat bijna niemand ze begrijpt”, schreef NRC Handelsblad op 26 oktober. Een andere “hefboom” zou er in bestaan dat landen met grote valutareserves – lees vooral China – het EFSF zouden voeden. Worden die beleggingen later door sukkelende eurolanden niet terugbetaald, dan komt het EFSF over de brug. Bij die financiering zou ook het IMF nauw worden betrokken. Een maand later bleken er evenwel nog grote vragen open te staan. Vragen als: of 1.000 miljard wel zou helpen als ook Italië, met zijn staatsschuld van 1.900 miljard, door de vloer zakt; of nog: of het akkoord over het noodfonds technisch wel uitvoerbaar is; en of China wel enige bereidheid vertoont om te participeren, en zo ja: tegen welke prijs.

België-met-regering

België slaagde er in de overgang van november naar december nipt in om een nieuwe regering in de steigers te hijsen – onder bepaald heel zware Europese en marktdruk. Dat duwde de rente op Belgische staatsobligaties op 1 december opnieuw onder de drempel van de 5 procent, na een geslaagde inname van 2 miljard aan kredieten op de internationale markt, en een bijzonder succesvol verlopende pogingen om eigen, Belgisch spaargeld te mobiliseren ten belope van bijna drie miljard euro. Veel minder goed verging het Italië. Op 16 november nam de partijleuze technocraat en voormalige EU-Commissaris, Mario Monti, daar het roer over van premier Silvio Berlusconi. Ook Italië had bijzonder sterke druk vanuit het buitenland – met name Duitsland – nodig om een zwaar saneringsprogramma te kunnen opzetten. Maar voorlopig krijgt Italië daarmee zijn rente niet onder de 7 procent – wellicht speelt hier de vraag of premier Monti en zijn technocraten er echt in zullen slagen hun draconische bezuinigingen door het zittende Italiaans parlement te krijgen. De Euroraad houdt Spanje dan weer aan drie concrete beloften: een kleiner tekort bij de overheden – ook hier zijn ook bepaalde regio’s zware schulden aangegaan; de grondwettelijke garantie van een evenwichtig staatsbudget (de “gouden regel”); arbeidsmarkthervormingen. Op 20 november won de centrumrechtse Partido Popular glansrijk de verkiezingen. Maar ook het aantreden van premier Mariano Rajoy kan de druk van de markten op de Spaanse schuldenlast niet onmiddellijk keren.

Al die ontwikkelingen in euroland worden met een portie Schadenfreude maar ook met toenemende bezorgdheid gevolgd door landen die tot dusver buiten de eurozone gebleven zijn. Het Verenigd Koninkrijk vreest dat de peripetieën binnen de eurozone de belangen van Londen als financieel centrum schade kunnen toebrengen. Tegen het einde van de maand november begon overigens ook de druk op het Britse pond toe te nemen. Het kwam herhaaldelijk tot woordenwisselingen tussen de Britse premier David Cameron en de Franse president Nicolas Sarkozy. Speelt ook de toenemende vrees voor een “opdeling” van de Europese Unie in de groep van 17 eurolanden en de tien outsiders. De beslissing van de Europese Raad van 23 oktober om een heuse Euroraad op te richten, met de leiders van de 17, onder het voorzitterschap van Herman Van Rompuy als voorzitter van de Europese Raad, zou wel eens kunnen betekenen dat de tien landen zonder euro niet meer in aanmerking komen voor de hoogste functie binnen de EU. Het lijkt niet voorstelbaar dat de Euroraad, die minimaal twee keer per jaar zal samenkomen, onder de leiding komt van een persoon uit een niet-euroland. Het eurosceptische Tsjechië poogde dan ook zijn gram te halen door op 7 november, in Brussel, een ontmoeting van de ministers van Financiën van de 10 niet-eurolanden bijeen te roepen. Of dat iets uithaalt, is nog maar de vraag. Er is weinig dat de groep van 10 bindt. Officieel hebben alleen het Verenigd Koninkrijk en Denemarken glashelder duidelijk gemaakt dat zij er vooralsnog niet aan denken om tot de eurozone toe te treden. De acht andere landen staan feitelijk op een wachtlijst.

Duurzaam visserijbeleid

Tegen de achtergrond van al die tribulaties, gaan de reguliere werkzaamheden van de vakraden uiteraard verder. Op 14 november vond bijvoorbeeld in Brussel de maandelijkse Raad Visserij en Landbouw (Agrifish) plaats. Het luik “Visserij” beperkte zich tot een gedachtewisseling tussen de ministers over de hervorming van het externe visserijbeleid. Commissaris Maria Damanaki stelde haar Mededeling ter zake voor. Die richt zich enerzijds op het uitdragen van het principe “duurzame visvangst” in de hele wereld. Tegelijk wil ze streven naar een level playing field – gelijke kansen dus – voor de Europese visserijsector. De Commissaris wil ook de strijd opdrijven tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde vormen van visserij. De bilaterale akkoorden zullen omgevormd worden tot “duurzame visserijakkoorden”, waarbij de EU enkel nog zal vissen in een eventueel surplus van bestanden van het partnerland. De Mededeling kon rekenen op bijval van de meeste lidstaten. Wat Landbouw betreft, stond andermaal de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid op de agenda. Het werd opnieuw een eerder “lauw” debat, met weinig nieuws en nog minder nieuwe voorstellen. De meest voorkomende opmerking van de lidstaten sloeg op de nood om over een voldoende grote overgangsperiode te voorzien. De Commissie plaatste kort voor de vergadering nog het probleem van de leghennen in “onverrijkte kooien” op de agenda. Het verbod op het houden van zo’n kippen gaat in op 1 januari 2012. Van enig uitstel kan er volgens de Commissie geen sprake zijn.

In de nacht van 18 op 19 november raakten de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement het eens over het budget 2012 van de Unie. De vastleggingkredieten stijgen met maar 3,57 procent en de betalingskrediet met 2.02 procent in vergelijking met het budget 2011.

Regionaal beleid

Op 24 en 25 november vond in Poznan, Polen, een informele ministeriele bijeenkomst Territoriale Ontwikkeling en Cohesiebeleid plaats. België werd er onder meer vertegenwoordigd door Vlaams minister Freya Van Den Bossche. Zij bracht twee algemene opmerkingen naar voren. Vooreerst wees ze er op dat het wetgevende pakket voor het toekomstig regionaal beleid in voldoende mate de institutionele context van landen als België in acht moet nemen. In België zijn de regio’s niet alleen bevoegd voor de uitvoering van het regionaal beleid, maar ook voor de volledige planning, cofinanciering, toezicht ervan. Ze zijn bevoegd door territoriale ontwikkeling en voor de belangrijkste aspecten van het stedenbeleid. Op de tweede plaats onderstreepte de minister het belang van een verhoogde slagkracht van het beleid. Dat moet hand in hand gaan met een vereenvoudiging van de procedures en met redelijke administratieve lasten. Eén manier om dat te bereiken zou, volgens België, de invoering zijn van enige “proportionaliteit”. Programma’s waarin relatief weinig middelen omgaan en programma’s waarvan de kwaliteit evident lijkt, zouden onder een minder streng regime kunnen geplaatst worden.

Verder schaarde België zich bij monde van minister Van Den Bossche achter de koppeling van het regionaal beleid aan de Europa 2020-strategie. Thematische concentratie kan, maar de regio’s moeten toch de nodige flexibiliteit behouden om het gelden aan hun specifieke noden te besteden. Stedenbeleid is erg belangrijk, maar laat het aan de regio’s over om te beslissen in welke steden zij geld uit de regionale fondsen inzetten.

Op 28 en 29 november kwam de Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport samen. Voor Jeugdzaken zat de Duitstalige minister Isabelle Weykmans in de Belgische stoel. Polen had op de agenda conclusies geplaats over de “oostelijke dimensie van de participatie en mobiliteit van jongeren” – uitwisselingsprogramma’s voor jongeren tussen de EU en de Oost-Europese partnerlanden in simpeler bewoordingen. Ter sprake kwam ook het voorstel voor een nieuw kaderprogramma Erasmus for All. Het is de jeugdsector een doorn in het oog, omdat het afbreuk zou doen aan het eigenlijke jeugdwerk, en alles op jeugdmobiliteit zou concentreren. De Vlaamse jeugdsector pleit in elk geval onverkort voor een autonoom Europees programma Jeugd, liefst onder rubriek 3 (veiligheid en burgerschap) van het Meerjaren Financieel Kader. Ook de Onderwijsministers verzamelden in Brussel, die 28e. België werd vertegenwoordigd door minister Marie-Dominique Simonot van de Franse Gemeenschap. De Raad nam in antwoord op een Mededeling van de Europese Commissie conclusies aan over de modernisering van het hoger onderwijs – cruciaal voor het behalen van de onderwijsdoelstellingen in de Europa 2020-Strategie, vonden de ministers. Slechts 26 procent van het totaal van de Europese bevolking bezit een diploma tertiair onderwijs, terwijl vast staat dat de werkloosheid van mensen met zo’n diploma maar half zo hoog ligt als onder burgers zonder. Verder nam de Raad conclusies aan over de richtlijnen betreffende leermobiliteit, naast benchmarks die al in 2009 werden afgesproken: minstens 95 procent deelname aan vroegschools onderwijs; het aandeel vijftienjarigen dat onvoldoende scoort op leesvaardigheid, wiskunde en wetenschappen moet teruggedrongen worden onder de 15 provcent; het aantal vroegtijdige schoolverlaters moet onder de 10 procent, het aandeel 30-34-jarigen met een diploma tertiair onderwijs moet minstens 40 procent bedragen en ministens 15 procent van de volwassenen moet deelnemen aan levenslang leren. Daarbij kwam nu dus dat tegen 2020 minstens 20 procent van de afgestudeerden van het hoger onderwijs een deel van zijn studies in het buitenland moet gedaan hebben. Ook zes procent van 18-35-jarigen met een diploma beroepsonderwijs moet een deel van zijn opleiding in het buitenland volgen. De Raad nam ook een resolutie aan met een langetermijnvisie Volwasseneneducatie.

Kinderen in een digitale tijd

Bij de ministers van Cultuur was het Vlaams minister Joke Schauvliege die België vertegenwoordigde. Dit Raadsdeel vond op 29 november plaats. De Raad besliste het Verdrag van de Raad van Europa betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op “voorwaardelijke toegang” goed te keuren. Lijkt abracadabra, maar slaat op de juridische bescherming van betaaltelevisie, met het strafbaar stellen van de verkoop van illegale decoders bijvoorbeeld. Verder: Raadsconclusies naar aanleiding van een Commissierapport over de bescherming van kinderen in een digitale wereld.: aandacht voor het bijbrengen van en verhogen van de “mediageletterdheid” van kinderen, in hun omgang met de nieuwe media. Ook ging de aandacht van de Raad naar de ontwikkeling van culturele en creatieve competenties, de samenwerking tussen cultuur en onderwijs, en het stimuleren van “creatieve partnerschappen” tussen cultuur en andere sectoren in het algemeen: onderwijs, maar ook het bedrijfsleven, onderzoek of de publieke sector. Ten slotte ging het nog over het EESnet-culture – een statistische netwerk rond cultuur in de schoot van Eurostat. Minister Schauvliege beklemtoonde dat België onder de indruk is van het rapport dat ESSnet kon voorschotelen. Toch zijn er nog altijd niet genoeg vergelijkbare en betrouwbare gegevens inzake cultuur beschikbaar op Europees niveau. Daarom moeten er vanuit culturele hoek extra inspanningen komen om de banden met het EESnet uit te breiden, in het belang ook van het in kaart brengen van de invloed van cultuur op sociale cohesie en persoonlijke ontwikkeling van burgers – in het kader van de Europa 2020-strategie.

Wat de Sportraad betreft, was opnieuw Duitstalig minister Weykmans aan zet. Een aantal resoluties: een rond de vertegenwoordiging van de EU in de WADA – de World Anti-doping Agency. De EU – en Vlaanderen – willen per se meer gaan wegen in de WADA. Tweedens een algemene politieke boodschap over de bestrijding van wedstrijdvervalsing in al zijn aspecten. De wijze waarop dit moet gebeuren, blijft een punt van debat. Voort een debat over “goed bestuur” in sportclubs. Tot slot gaf Commissaris Androulla Vassiliou een samenvatting van het subprogramma Sport binnen het Erasmus-for-All-kaderprogramma van de periode 2014-2020. Thema’s waarrond men zal werken: goed bestuur in de sport, de bestrijding van bedreigingen voor de sport als doping, geweld en reacisme; het stimuleren van gezondheidsbevorderende fysieke activiteit; de dubbele carriere van de sporter; sociale inclusie via sport en “kennisgebaseerd sportbeleid” (onderzoek rond sport).

Horizon 2020

Belangrijk toch voor Vlaanderen: op 30 november nam de Commissie haar voorstellen aan voor Horizon 2020 – de opvolger van het Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling. Horizon 2020 slorpt ook de innovatieaspecten op van het Kaderprogramma voor Concurrentievermogen en Innovatie (CIP), waarvan de rest een vervolg krijgt als Programma voor Concurrentievermogen van bedrijven en KMO’s. Ook dat laatste programma werd de 30e aangenomen door de Commissie.

De Commissie maakt zich sterk dat zijn een breuk met het verleden heeft veroorzaakt met haar voorstel voor Horizon 2020. Ze heeft het in dit verband over de “sterke vereenvoudiging”, de “inclusieve aanpak”, de integratie van onderzoek en innovatie, de directe economische prikkel die van het programma zou moeten uitgaan, en de naadloze implementatie, van laboratorium tot markt, die wordt ondersteund. De structuur van Horizon 2020 verschilt alvast van de structuur van het huidige Kaderprogramma. Voortaan wordt dit opgedeeld in drie pijlers: “excelleren” in fundamenteel wetenschappelijk onderzoek (Europese Onderzoeksraad, infrastructuur, Marie Curie, Future and Emerging Technologies); industrieel leiderschap creëren ( Key Enabling Technologies, toegang tot kapitaal, innovatie in KMO’s) en het aanpakken van maatschappelijke problemen. Wat dat laatste betreft, noteren we een last minute toevoeging van marien en maritiem onderzoek in de voorstellen van de COM – niet onbelangrijk voor Vlaanderen.

De Commissie stelt een budget voor van zowat 80 miljard euro voor de periode 2014-2020. Daarvan zou “excellentie in de wetenschap” zowat 25 miljard ontvangen; “industrieel leiderschap” een kleine 20 miljard en “maatschappelijke uitdagingen” 35 miljard euro. De Commissie legt haar voorstel voor aan de ministers op de Raad Concurrentievermogen van 5 en 6 december. De onderhandelingen over het algemeen besluit zijn voor onder het Deens Voorzitterschap.

Axel Buyse, met de hulp van de collega’s van de Vlaamse Vertegenwoordiging binnen de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de EU.

Vlaams - Europees verbindingsagentschap vzw, Kortenberglaan 71, 1000 Brussel T 02 737 14 30 - F 02 737 14 49 info@vleva.eu

website door wieni