Griekse premier stort Eurozone in crisis zonder voorgaande
De Europese Unie beleefde in oktober ronduit dramatische momenten. Bij tijden leek het wel alsof het voortbestaan van de EU zelf aan een zijden draadje bengelde. Aanleiding bleef de aanhoudende onzekerheid over de stabiliteit van de eurozone. Maar de Griekse premier George Papandreou dreef de spanning ten top, met zijn aankondiging, op 31 oktober, dat hij het meest recente Europese reddingsplan voor zijn land aan een referendum zou onderwerpen. Alle beurzen gingen meteen in het rood, en kanselier Angela Merkel en de Franse president Nicolas Sarkozy voerden meteen een crisisoverleg. Papandreou’s beslissing om het moeizaam bereikte reddingsplan voor zijn land aan een volksraadpleging te onderwerpen, zorgde voor verbijstering in zijn eigen land, en in de rest van de EU. Het risico op een ontsporing, en op een vertrek van Griekenland uit de eurozone, is niet denkbeeldig.
Sarkozy en Merkel kondigden voor 2 november verder crisisberaad aan. De kans dat de Griekse bevolking het reddingsplan van 26 oktober verwerpt, is niet denkbeeldig. Zelfs de Griekse conservatieve oppositie, die Papandreou de voorbije maanden het leven zuur maakte, reageerde ontsteld bij de idee dat de eigen bevolking het reddingsplan, en dus wellicht ook de plek van Griekenland in de eurozone, zou afschieten.
Op 26 oktober had er een Europese Raad en een Eurotop plaatsgevonden, in vervolg op die van drie dagen vroeger. Opnieuw was het hoofdthema de aanpak van de schuldencrisis. De Raad was eerder uitgesteld. Dat hij uiteindelijk tot twee keer toe, vlak vóór de Eurotop plaatsvond, was een nieuwigheid, bedoeld om in te gaan tegen het groeiende wantrouwen van de niet-eurolanden. Die vrezen meer en meer dat ze in de marge van het gebeuren zullen verzeilen, of nog: dat ze mee in de klappen zullen delen als de gemeenschappelijke munt van de Zeventien toch weer in de gevarenzone komt.
Tijdens de Eurotop van 21 juli was al besloten dat er een aanvullend EU/IMF-programma voor Griekenland moest komen. Toen al was duidelijk dat het land nooit tegen medio 2012 naar de kapitaalmarkt kan terugkeren, zoals aanvankelijk voorzien. Ook toen was er al overeen gekomen dat de particuliere sector een significante bijdrage zou moeten leveren aan het waarborgen van de Griekse schuldhoudbaarheid. Sindsdien ging het evenwel van kwaad naar erger met Griekenland. Uit de meest recente schuldhoudbaarheidsanalyse van het IMF, bleek dat als gevolg van onder meer een verslechtering van de Griekse budgettaire en economische situatie, de financieringsbehoefte van het land voor de periode 2011-2014 nog substantieel is toegenomen. Aanvullende maatregelen drongen zich op om Griekenland in staat te stellen op middellange termijn tot een “duurzaam houdbare” schuld terug te keren. Alleen onder ruige druk van Duitsland en Frankrijk gingen de grote Europese banken uiteindelijk akkoord om 50 % van de publieke kredieten die zij in Griekenland uitstaan hebben, te laten vallen. Die Private Sector Involvement (PSI) ook nog de haircut genaamd, moet het mogelijk maken om de schuldquote van de Griekse overheid tegen 2020 te doen zakken tot 120 % van het BBP.
Geruststellende gebaren
De tweede Europese Raad op nog geen week tijd - die van de 26e dus - diende vooral om de staats- en regeringsleiders van de niet-eurolanden gerust te stellen, door ze te informeren over de voorbereidingen van de top van de Eurozone, later die avond. De Raad bevestigde ook het uitgangspunt dat banken die over onvoldoende kapitaal beschikken op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn om hun kapitaalsbasis te versterken. Alleen in gevallen dat dit ontoereikend of niet mogelijk blijkt, kunnen de lidstaten steun bieden. In het uiterste geval kunnen die eurolidstaten een beroep doen op steun uit de European Financial Stability Facility (EFSF) – het noodfonds voor de euro. Elke vorm van publieke steun, nationaal of op EU-niveau, is overigens onderworpen aan de voorwaarden van het vigerende bijzondere staatssteunkader van de Europese Commissie. Eerder hadden de regerings- en staatshoofden, in lijn met de Ecofin-Raad van 22 oktober, bepaald dat de tijdelijke kapitaalnorm, die de Europese banken schokbestendiger moeten maken, bepaald wordt op 9 procent kernkapitaal. De banken moeten die norm op 30 juni 2012 bereikt hebben. Tot dan gelden er beperkingen op de dividenden en bonussen van betreffende bankinstellingen.
Zo mogelijk met nog meer spanning werd uitgekeken naar de Eurotop van de 26e. Die duurde dan ook tot in de vroege uren van de daaropvolgende dag. Uiteindelijk bereikten de leiders van de eurozone overeenstemming over vier reeksen maatregelen die noodzakelijk worden geacht om de euroschuldencrisis op een overtuigende wijze te bestrijden: een oplossing voor het Griekse drama; de instelling van een “brandgang” tegen verdere besmetting; een versterking van het economisch beleid van de kwetsbare eurolanden en ten slotte een robuust raamwerk voor economisch bestuur of economic governance van de eurozone.
Versterkt toezicht
De Eurotop bereikte ook overeenstemming over de publieke bijdrage aan het financieringspakket voor Griekenland. Voor de periode 2011-2014 zal die bijdrage maximaal 130 miljard euro bedragen. Dat bedrag komt in plaats van de 109 miljard waarvan op 21 juli nog sprake was. Het is inclusief de herkapitalisatie van Griekse banken (zie verder) en de maximaal 30 miljard euro die bedoeld is om de particuliere sector aan te moedigen deel te nemen aan een obligatieomruil. Griekenland zou er zich ook toe verbonden hebben om uit de toekomstige inkomsten van het privatiseringsprogramma 15 miljard euro bij te dragen aan het EFSF. Daarmee zou Griekenland in de toekomst zelf een bijdrage leveren aan het noodfonds waarop het nu aanspraak maakt. Die publieke bijdrage aan het financieringspakket voor Griekenland wordt opgebracht door het EFSF en door het Internationaal Monetair Fonds, het IMF. Over de hoogte van de bijdrage van het IMF moet nog worden besloten. Het akkoord van 26 oktober voorziet ook in een extra voorziening van de Europese Centrale Bank (ECB), om te zorgen dat de Griekse banken toegang houden tot de liquiditeiten ervan.
De Eurotop besliste verder dat er een regime van versterkt toezicht komt op “programmalanden” die zich niet houden aan de afspraken inzake de terugdringing van hun tekorten. In Griekenland komt er alvast zo’n toezichtsregime van kracht. Een “trojka” van waarnemers van de EU, de Europese Centrale Bank en het IMF wordt permanent in Griekenland gestationeerd – althans tot het land over een aantal jaren definitief uit de gevarenzone is. De Europese banken worden verplicht om tegen eind 2012 over 9 % kernkapitaal of Tier I Capital te beschikken, conform de Basel III-akkoorden. Dit veronderstelt een herkapitalisatie van de banken van om en bij de 100 miljard euro. Voor de financiering van dat bedrag moeten de banken in eerste instantie de privé-markt aanspreken, daarna de nationale overheid, en in laatste instantie het EFSF.
Hefbomen
De staats- en regeringsleiders beslisten ook over twee opties om de capaciteit van het EFSF op een meer efficiënte wijze te kunnen inzetten. Op de eerste plaats zullen EFSF-middelen gebruikt worden voor een verzekeringsmodel, bij de uitgifte van nieuwe schulden door euro-lidstaten. Die zullen private investeerders een extra zekerheid kunnen bieden bij de aankoop van staatsobligaties. Op de tweede plaats kunnen in noodsituaties middelen uit verschillende bronnen, waaronder het EFSF, worden samengebracht. Die andere middelen kunnen afkomstig zijn van publieke financiële instellingen of van private instellingen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van zgn. Special Purpose Vehicles (SPV’s). Daarvoor hoopt de Eurozone vooral op een Chinese inbreng. Beide opties kunnen tegelijkertijd door het EFSF ingezet worden, afhankelijk van het specifieke doel waarvoor het fonds zijn middelen moet mobiliseren, en afhankelijk van de marktomstandigheden. Samen moeten die twee opties een “hefboomfunctie” hebben – een aanzienlijk hogere potentiële slagkracht, met een factor van vier tot vijf.
Het derde element van het pakket waarover tijdens de Eurotop is gesproken, slaat op de noodzaak om het economisch bestuur, de economic governance, van kwetsbare lidstaten te versterken, door de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te waarborgen en de structurele groei in het eurogebied te verhogen. De top stelde dat dergelijke maatregelen in alle landen nodig zijn, maar zeker in die lidstaten die onder groeiende marktdruk staan. Spanje zegde in dit kader toe om verdere groeiondersteunende maatregelen te nemen, onder meer door het flexibeler maken van zijn arbeidsmarkt en de verdere liberalisering van zijn dienstensector. Veel aandacht ging er naar Italië. In een brief aan de Voorzitter van de Europese Raad en aan de Commissie kondigde Italië maatregelen aan om de situatie van ‘s lands overheidsfinanciën te versterken. De Eurotop vertrouwde het zaakje maar matig en riep Italië op om al op korte termijn aan te geven wanneer die maatregelen van kracht worden. Op die manier moeten de Italiaanse toezeggingen worden onderbouwd om in 2013 het begrotingsevenwicht te bereiken en een jaar later de schuld te reduceren tot 113 procent van het BBP. Italië neemt zich verder voor om de regeldruk te verminderen, de arbeidsmarkt te flexibiliseren en de pensioengerechtigde leeftijd geleidelijk – tegen 2026 - te verhogen naar 67 jaar.
Verantwoordelijkheden
Samen deel uitmaken van een monetaire unie brengt serieuze verantwoordelijkheden met zich mee. Die mantra wordt al sinds het uitbreken van de Eurocrisis herhaald, maar de Eurotop van de 26e wilde duidelijk maken dat het de staats- en regeringsleiders intussen toch wel echt menens is. Bovenop de bestaande mechanismen als het Europees Semester, het Europluspact en het recente wetgevingspakket (Six-Pack) is een veel sterke coördinatie en toezicht nodig om de stabiliteit van de monetaire unie te waarborgen, luidde het. De Europese Raad van 23 oktober bepaalde al dat een Eurocommissaris een veel sterkere rol krijgt. Op de Eurotop van de 26e werd hier verdere invulling aan gegeven, in lijn met het voorstel van de Commissie in de mededeling “Een routekaart naar stabiliteit en groei”. Op 27 oktober besliste Commissievoorzitter Barroso om de positie van de Commissaris voor Economische en Financiële Zaken, de heer Olli Rehn, te versterken. Hij krijgt de positie van vice-voorzitter binnen het college van Commissarissen, met specifieke verantwoordelijkheid voor de euro. Verder zal de Commissie binnenkort voorstellen presenteren om een nog scherpere monitoring van de lidstaten af te dwingen – bovenop het wetgevingspakket Six-Pack dat al op 1 januari van kracht wordt. Tot slot zal, op basis van een besluit van de Europese Raad van de 23e, ook voor de middellange termijn aan maatregelen worden gewerkt om de begrotingsdiscipline en de economische convergentie in de eurozone te versterken.
De Eurotop kwam alvast een aantal “aanscherpingen” overeen. Alle lidstaten van de eurozone verplichtten er zich toe om de aanbevelingen van de Commissaris over hun Stabiliteits- en Groeipact (SGP) uit te voeren. Zij zullen in hun nationale wetgeving regels vastleggen om te streven naar een structureel begrotingsevenwicht. Hun begrotingen zullen gebaseerd moeten zijn op onafhankelijke groeiramingen en hun parlementen zullen rekening moeten houden met de Europese aanbevelingen. Voor landen die in een buitensporigtekortprocedure zitten, zullen de Commissie en de Raad zich mogen uitspreken over nationale begrotingen voordat die door het nationale parlement worden vastgesteld. De Commissie zal daarna toezicht houden op de uitvoering van de begroting en desnoods aanpassing voorstellen. Lidstaten die onder druk staan van de financiële markten moeten extra inspanningen leveren om hun begroting op orde te krijgen en structurele hervormingen doorvoeren. Tot slot blijft het voor landen die steun ontvangen uit het EFSF een voorwaarde dat zij hun programma volledig uitvoeren. Aan elke vorm van steun uit het EFSF worden voorwaarden gesteld.
De Eurotop zal voortaan minstens twee keer per jaar bijeenkomen. Er komt een vaste voorzitter, gelijktijdig mete de verkiezing van de Voorzitter van de Europese Raad. Voorlopig vervult Herman Van Rompuy beide functies.
Op naar Cannes
Aan al die ontwikkelingen waren moeilijke weken vooraf gegaan. Begin van de maand keek iedereen nog uit naar de “vertaling” van een reeks afspraken die op een Europese Raad op 21 juli waren gemaakt. Slovakije vormde daarvoor een laatste hindernis. Er was een regeringscrisis en de val van de Slovaakse regering voor nodig, maar op 14 oktober ging ook dat laatste euroland overstag. Tegen die tijd waren de afspraken van juli al ingehaald door de realiteit. De hele bankensector raakte in de problemen, met de ontmanteling van het Belgisch-Franse Dexia als voorlopig hoogtepunt. Intussen liep ook de spread – het verschil tussen de langetermijnrente die Duitsland en de meeste andere EU-lidstaten betaalden, hoger en hoger op. De crisis breidde zich uit van de 17 eurolanden naar de hele Unie en zelfs naar de mondiale economie. Ook de druk van de VS, China, Japan en de BRIC-landen liet zich meer en meer voelen, naargelang de datum van 3 en 4 november, met de G-20-top in Cannes, dichterbij kwam. Aanvankelijk zou er al op 17 en 18 een Europese top plaatsvinden, maar die werd door Voorzitter Van Rompuy uitgesteld naar 23 oktober, en – zoals hierboven al duidelijk werd – ook nog eens ontdubbeld. Officieel kwam dat uitstel er omdat de Raad over onvoldoende cijfermateriaal over de Griekse crisis zou beschikken. Maar aanvankelijk was het ook zo dat het water tussen Frankrijk en Duitsland heel diep was. Onenigheid was er over de toekomstige rol van het EFSF en van de Europese Centrale Bank. Verder was het vaak uitkijken naar het juiste statistisch materiaal om beslissingen op te baseren. Dat alles werd – voorlopig althans – gladgestreken op de 26e.
Europees Sociaal Fonds
Al die fundamentele problemen waar de EU mee geconfronteerd werd, remden intussen het “gewone” werk van de andere Europese instellingen niet af. Op 3 oktober kwam de Raad Werk, Sociale Zaken en Volksgezondheid bijeen in Luxemburg. België werd er voor het Raadsdeel Werk en Sociale Zaken vertegenwoordigd door ontslagnemend staatssecretaris Jean-Marc Délizée. Drie punten stonden op de agenda: een oriënterend debat over het Europees Sociaal Fonds in de uitvoering van de Europa 2020-strategie; de rol van vrijwilligerswerk in het sociaal beleid, en de demografische vraagstukken en de verenigbaarheid van werk en gezinsleven. Het debat over het ESF vond plaats nog voor de Commissie op 6 oktober met precieze tekstvoorstellen voor haar Cohesiepakket voor 2014-2020 voor de dag was gekomen. Zowat iedereen die het woord nam, sprak zich uit voor een meer op resultaten gericht ESF, en voor minder administratieve en meer op de “output” gebaseerde controle. Vooral voor kleine projecten zouden de formaliteiten tot het minimum moeten beperkt worden, luidde het. België maakte duidelijk dat het dit ESF wil inzetten voor werkgelegenheid en mobiliteit, levenslang leren, het bestrijden van armoede en van het vroegtijdig schoolverlaten, maar ook voor een industrieel beleid, met de nodige aandacht voor opleiding en kwaliteit van het werk. België verzet zich tegen een uitholling van de middelen van het ESF.
Vrijwilligers
Eensgezindheid was er ook over de waarde en de betekenis van het vrijwilligerswerk. Er moeten betere kadervoorwaarden voor vrijwilligerswerk komen – zeker in het licht van het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk. Toch maakte Commissaris Lazlo Andor ook duidelijk dat vrijwilligerswerk alleen maar een aanvulling op de sociale diensten kan vormen – voor de primaire behoeften zijn betaalde beroepsmensen een noodzakelijkheid. Het kan geen goedkoop alternatief vormen. De Raadsconclusies inzake de demografische vraagstukken vormden een eerste stap in een institutionele samenwerking ter zake tussen het Europese en het nationale niveau. Commissaris Andor maakte duidelijk dat de Commissie begaan is met een betere afstemming in de combinatie arbeid en gezin. Hier is een verbetering van gelijke kansen in het spel, maar ook de stimulering van welvaart en welzijn. Aandacht ook voor een echte solidariteit tussen de generaties. De Commissie wil 2014 uitroepen tot het Europees Jaar van het Gezin.
Op verzoek van Frankrijk en van Slovenië, had het Pools Voorzitterschap ook de toekomst van het voedselprogramma voor de minstbedeelden in de Unie op de agenda gezet, bij de variapunten. Toch namen niet minder dan 22 lidstaten standpunten in. Commissaris Andor verwees naar de State of the Union van Commissievoorzitter Barroso, waarin die duidelijk stelling heeft genomen voor het behoud van dit programma. De Commissie wil het programma – dat door een aantal landen - Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Zweden wordt betwist – voor 100 % verder laten financieren door de EU-begroting. Voor de periode na 2013 zou het om 2,5 miljard euro gaan, overgeheveld van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid naar het Cohesiebeleid. De tegenstanders vinden dat een dergelijk hulpprogramma niet gefinancierd moet worden via de EU-begroting, maar op lidstatelijk niveau (zie ook verder, onder Landbouw).
Bestemming Europa
Twee dagen na de EPSCO-Raad kwamen de ministers van Toerisme samen voor een informele bijeenkomst in Krakau, Polen. Vlaams minister Bourgeois was op het laatste moment verhinderd door de crisis rond de Gemeentelijke Holding. Op de agenda stond de promotie van Europa in derde landen, het versterken van de transnationale samenwerking tussen de Europese Commissie, de lidstaten en hun toerismeorganisaties, in samenwerking met de European Travel Commission (ETC). De delegaties waren het er over eens dat die promotie van Europa als bestemming de toeristische aantrekkelijkheid van ons continent alleen maar kan bevorderen. Vooral vanuit de BRIC-landen wordt de komende jaren nog een sterke groei van uitgaand toerisme verwacht. Sommige delegaties beklemtoonden dat er alleen maar complementaire acties mogen opgezet – aanvullend op de nationale en of regionale promotie. Het principe van de subsidiariteit moet gerespecteerd, luidde het in die hoek. Iedereen leekt het er over eens dat de promotie naar “bestemming Europa” in elk geval de diversiteit moet respecteren en Europa moet voorstellen als de meest verscheiden set van duurzame en kwaliteitsvolle toeristische bestemmingen in de wereld. De Commissie was het hiermee eens. Ze zal nauw samenwerken met de ETC, waarvan Vlaanderen momenteel overigens ondervoorzitter is.
TEN-T-kernnetwerk
De ministers van Transport bliezen op 6 oktober verzamelen in Luxemburg, voor een formele Raadsvergadering. Op de agenda: het aannemen van Raadsconclusies over “De EU en haar aangrenzende regio’s: een nieuw beleid voor samenwerking op het gebied van vervoer. Verder een lunchdebat over de rol van de TEN-T-corridors, en een stand van zaken van het Blue Belt-project. Het gros van de agendapunten vielen dus onder de federale bevoegdheden. Met de Raadsconclusies over de EU en haar aangrenzende regio’s onderschreef het Pools Voorzitterschap een van zijn prioriteiten in de transportfilière: het versterken van de banden met de oostelijke buren, naar aanleiding van een gelijknamige mededeling van de Commissie uit juli 2011. De implicaties voor Vlaanderen zijn eerder beperkt. Dat geldt niet voor het lunchdebat over de rol van de Core Network Corridors binnen het TEN-T-netwerk – wél een zeer belangrijk Vlaams aandachtspunt. Als voorbereiding was een gecoördineerde speaking note opgesteld voor federaal staatssecretaris Etienne Schouppe. Hierin werd de visie van de Commissie met betrekking tot het hanteren van het concept van de Kernnetwerkcorridors binnen de nieuwe TEN-T-visie ondersteund. De Commissie publiceerde haar voorstellen voor een Verordening met betrekking tot de ontwikkeling van het Transeuropese Vervoernetwerk pas op 19 oktober. Tegelijk publiceerde zij een voorstel tot oprichting van de Connectiong Europe Facility – die het financiële aspect moet regelen. Het TEN-T-beleid is een van de initiatieven onder het Europa 2020-vlaggenschip Resource Efficient Europe. Bij de varia vroeg België de Commissie een stand van zaken in het Blue Belt-project. Dit concept, dat onder het Belgisch Voorzitterschap werd gelanceerd, wil tot een vereenvoudiging van maritieme administratieve procedures komen, en dus tot een “Europese maritieme ruimte zonder grenzen”. Er loopt een proefproject, en de eerste reacties van de douanediensten zijn ter zake positief. De Commissie hoopt het hele concept in realiteit om te zetten vanaf 2012. Dit initiatief is uiteraard van het grootste belang voor onze Vlaamse havens.
Klimaatconferentie
Brussels minister van Leefmilieu Evelyne Huytebroeck vertegenwoordigde België op de Raad Leefmilieu van 10 oktober in Luxemburg. Federaal minister Paul Magnette trad op als assessor. Twee hoofdpunten hier: de voorbereiding van de 17de witting van de Conferentie van de Partijen (CoP17) bij het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering, en de zevende zitting van de Conferentie waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto (MoP7) bijeenkomen. Een mondvol, maar het gaat gewoon over de klimaatconferentie in Durban, Zuid-Afrika, van 28 november tot en met 9 december. Tweede agendapunt: Rio+20: de opvolging van de agenda voor een duurzame ontwikkeling door vergroening van de economie.
Wat de voorbereiding op Durban betreft: op twee vlakken moesten de EU-lidstaten nog Europese posities bepalen. Het eerste betrof de openheid tegenover een tweede verbintenissenperiode onder het Kyoto-protocol. België stelt zich op dit vlak er “open” op, en het waarschuwde voor een verdere verstrenging van de voorwaarden, omdat die de internationale “onderhandelingsdynamiek” kunnen verstoren. Het tweede punt lag nog moeilijker, en ging over het probleem van de overschotten van emissierechten in de huidige Kyoto-periode – de zogenaamde AAU’s. België wil dat het gebruik van die AAU’s wordt beperkt. De Raadsconclusies stelden ten slot dat er voor dit probleem een oplossing moet komen “op een ambitieus niveau van militie-integriteit”. De Rio+20-Conferentie vindt in juni 2012 plaats in Rio zelf. De Raadsconclusies sloegen op de twee belangrijkste punten die daar in Brazilië op de agenda zullen staan: de groene economie in de context van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding, en het institutionele kader voor zo’n duurzame ontwikkeling.
Valsspelers
Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, Philippe Muyters, vertegenwoordigde op 13 en 14 oktober België in Krakow, op een informele ministersbijeenkomst Sport (Raadsformatie Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport). Drie punten op de agenda: de bestrijding van wedstrijdvervalsing – een informeel debat in aanwezigheid van de UEFA, de European Lotteries, het Europees Parlement en de Raad van Europa dat informatie moet verzamelen voor Raadsconclusies die zullen aangenomen worden op 29 november. Een aantal landen maakte de vergelijking met de strijd tegen de doping, dat ook een grensoverschrijdend probleem vormt waarbij de integriteit van de sport bedreigd wordt. De EU wordt daarbij vooral gezien als “facilitator” van de samenwerking tussen overheden, de sportsector en de sector van de kansspelen. Zowat de helft van de lidstaten die tussenbeide kwamen, pleitte voor een aparte “Europese” definitie van “sportfraude” om een gezamenlijke aanpak te vergemakkelijken. Andere landen vonden zoiets overbodig. België benadrukte de noodzaak van een gezamenlijke aanpak en de voorbeeldfunctie die de internationale strijd tegen doping kan spelen. Wedstrijdvervalsing en kansspelen zijn federale materie, maar dat neemt niet weg dat Vlaanderen dit bijzonder belangrijke thema’s vindt. Verder nog twee dossiers: “sport en economie” – een gedachtewisseling over het belang van sport in de nationale en Europese economie, en een onderzoek naar de impact van het Europees Kampioenschap Voetbal in Polen en Oekraïne, in 2012. Tot slot gaf Commissaris Androulla Vassiliou een uiteenzetting over de plaats die sport krijgt in de voorstellen van de Commissie voor een nieuw Meerjarig Financieel Kader (MFK – 2014-2020). In het voorstel van de Commissie, dat pas helemaal publiek gemaakt wordt op 23 november 2011, komt er een apart sub-programma Sport, binnen Education Europe (met verder Onderwijs, Opleiding en Jeugd). Focus komt op transnationale samenwerking rond grass roots sport. Vlaanderen beschouwt het voorstel om een subprogramma sport op te stellen, als een positieve ontwikkeling.
Visquota voor de Oostzee
De Raad Landbouw en Visserij kwam in Luxemburg samen op 20 en 21 oktober, met als Belgische woordvoerders Vlaams Minister-president Kris Peeters en federaal minister Sabine Laruelle. Op de agenda: voorstel voor verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor sommige vissoorten in de Oostzee; de voorbereiding van het jaarlijks overleg EU – Noorwegen inzake visserij; een voorstelling en gedachtewisseling over de voorstellen van de Commissie inzake de hervorming van het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (in het kader van het MFK), en een politiek debat over de “minstbedeelden”.
De vastlegging van de vangstmogelijkheden voor de Oostzee is uiteraard niet rechtstreeks van belang voor Vlaanderen. Maar pijnlijk was het feit dat 5 van de 8 betrokken landen uiteindelijk tegen het compromis stemde dat per gekwalificeerde meerderheid werd opgelegd. Verder twee horizontale punten: de beslissing tot een automatische vermindering van de vangstquota met 25 procent bij onvolledig of ontbrekend wetenschappelijk advies, en de beslissing om al tegen 2013 het concept Maximaal Duurzame Opbrengst – MSY – in te voeren.
Tijdens het debat over de hervorming Gemeenschappelijk Landbouwbeleid werd nog eens duidelijk dat veel lidstaten de voorstellen van de Commissie “teleurstellend” vinden. Velen hebben problemen met de voorgestelde “vergroening” van de rechtstreekse inkomenssteun (pijler I). Het idee om jonge boeren extra te kunnen ondersteunen, vindt wel genade. Tijdens een tweede tafelronde, onder meer over marktmaatregelen, bleek duidelijk dat een aantal lidstaten de abrupte afschaffing van de suikerquota niet zien zitten. Alle voorstellen GBL worden de komende weken in detail in technische werkgroepen geanalyseerd, en het volledige dossier komt opnieuw op de Raad van 15 november.
Tijdens de Raad werd nog tevergeefs getracht een doorbraak te forceren in het dossier van de voedselhulp voor minstbedeelden (zie ook: EPSCO, supra). Het programma 2012 had op 1 oktober van start moeten gaan. Commissie, Pools Voorzitterschap en een aantal lidstaten riepen de blokkeringsminderheid (Verenigd Koninkrijk, Duitsland. Nederland, Denemarken, Zweden en Tsjechië) op om hun bezwaren te laten vallen, maar zonder succes. Die landen blijven bij hun principeel standpunt dat voedselbedeling onder sociaal beleid thuis hoort en dus tot de bevoegdheid van de lidstaten hoort, en niet die van de Unie. Polen buigt zich dezer weken opnieuw over dit heikele dossier.
Synthetische drugs en asielvragen
De ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken bogen zich op 27 en 28 oktober in Luxemburg onder meer over de drugsproblematiek. Ze namen een Europees Pact tegen Synthetische Drugs aan en bekeken de Mededeling van de Commissie Naar een sterker Europees antwoord op drugs. Verder kwam aan bod: het Gemeenschappelijk Europees Asielsysteem. Het Voorzitterschap informeerde de lidstaten dat er – door een akkoord met het Parlement – wellicht nog dit jaar twee richtlijnen komen: een over de instelling van een eenheidsvergunning voor burgers van derde landen, om in de Unie te verblijven en er te werken, en een pakket aan rechten voor arbeiders uit derde landen die legaal in een lidstaat werken. De tweede richtlijn gaat over de kwalificatie en status van burgers van derde landen als begunstigden van internationale bescherming. De Raad boog zich verder over de uitvoering van het Nationaal Actieplan inzake Asielhervorming en Migratiemanagement van Griekenland. De Commissie informeerde de lidstaten nog over de stand van de onderhandelingen met de VS inzake “bescherming van persoonsgegevens”. Oriënterende debatten vonden nog plaats over een Europees Opsporingssysteem voor de financiering van terroristen, de Europese agenda voor de integratie van burgers uit derde landen en de samenwerking met het Oostelijk Partnerschap. De ministers van Justitie hadden het onder meer over de strijd tegen de seksuele uitbuiting van kinderen en tegen kinderpornografie en ze bespraken een recent voorstel tot verordening inzake een Gemeenschappelijke Europese Verkoopwet.
Axel Buyse, met de hulp van de collega’s van de Vlaamse Vertegenwoordiging binnen de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de EU, en van de EU-Cel van het Departement internationaal Vlaanderen.









